fbpx

Deze blog gaat over de derde van de vier pijlers van zingeving: Verhalen vertellen. 

En hoe anders kan ik dat beter doen aan de hand van een verhaal uit het boek van Emily Esfahani Smith. Hier volgt het verhaal.

Erik Kolbell herinnert zich nog levendig de zomer van 2003 toen zijn dochter Kate haar eerste baan kreeg. Kate, die veertien was en met haar familie in New York woonde, kreeg een baan aangebonden in The Hamptons. Ze mocht daar een moeder assisteren bij de opvoeding van haar kinderen. Ze zag ernaar uit om naar Long Island te verhuizen en verantwoordelijkheden van het volwassen leven op zich te nemen. Maar haar leven, en ook dat van Erik, kwam een week nadat ze was begonnen aan haar nieuwe baan op een vreselijke manier tot stilstand. Op 31 juli ontving Erik een telefoontje van zijn vrouw: ‘Kate is aangereden door een auto’. 

‘Het volgende wat ik me herinner’, zei Erik, ‘was dat ik in mijn auto naar Stony Borok Hospital reed zonder te weten hoe erg het was, in welke toestand ik haar zou aantreffen, waar ze was aangereden en of ze nog leefde.’ Hij kreeg te horen dat ze op de operatietafel lag en werd geholpen door een pediatrisch neurochirurg. Daaruit concludeerde Erik drie dingen: ‘Nummer één: ze was nog in leven. Nummer twee: het was ernstig. Nummer drie: neurochirurgie. Ze had een hersenbeschadiging’.

In het ziekenhuis werd Erik naar een speciale wachtkamer gebracht waar de neurochirurg hem en zijn vrouw opzocht. ‘Ze wordt in een kunstmatig coma gehouden’, zei de dokter. ‘Haar situatie is stabiel. Maar we moesten een stuk van haar schedel verwijderen om de druk te verlichten’, zo vervolgde hij, ‘de druk op haar hersenen’. De procedure was nooit eerder uitgevoerd bij een kind, zei Erik. De dokter deed wat hij kon, het was ‘op hoop van zegen’. Maar het was niet goed genoeg. Later die avond werd de druk op haar hersenen opnieuw te groot. Ze moest weer worden geopereerd. 

Erik vertelde het voor een microfoon, op een avond waar mensen verhalen vertelden. Ze stonden op een podium met fluwelen gordijnen in een knusse zaal met houten panelen. De avond was georganiseerd door een organisatie die The Moth werd genoemd. Erik sprak voor een publiek van bijna driehonderd mensen die dicht op elkaar zaten. Hij vertelde wat er door zijn hoofd ging toen hij ontdekte dat Kate die avond voor de tweede keer naar de operatietafel werd gebracht: ‘Ik dreigde alle hoop te verliezen’. 

Nog geen twintig minuten daarvoor, tijdens een pauze waarin veel alcohol vloeide, was de zaal gevuld van gelach en lawaai. Maar nu leunde het publiek voorover in een gespannen stilte, terwijl Erik zijn verhaal deed.

Toen Kate voor de tweede keer de operatietafel verliet, zo vervolgde Erik, was het vijf uur in de ochtend. Haar situatie was stabiel. De dokters lieten haar overbrengen naar Mount Sinai Hospital in New York City, waar ze een intensief revalidatieprogramma volgde. Door het ongeluk kon ze niet meer praten of rekenen. Ze kon vrijwel geen diepte meer zien en was bijna al haar herinneringen kwijt. In oktober mocht ze enkele dagen per week naar school, maar ze bleef ook het revalidatiecentrum bezoeken. In november was ze goed genoeg om terug te keren naar Stony Brook zodat de dokters het stuk van haar schedel konden vervangen dat ze eerder, in juli, hadden verwijderd. Dat zou de derde operatie zijn. ‘Het was een soort triomf’, zei Erik. ‘Het was het slotstuk We zeiden tegen elkaar: ‘Het gaat haar lukken’.

Erik probeerde om dit alles een plaats te geven: ‘Ik ben zo dankbaar dat ze nog leeft,’ zei hij aan de vooravond van de derde operatie. ‘Maar ik weet niet wat er straks van haar over is. Wat is de zin van dit alles?’

Op die vraag kreeg hij antwoord toen Kate uit de operatiekamer kwam. Ze waren samen in de herstelruimte. Kate voelde zich ‘nog licht in het hoofd’ door de verdoving toen er een lange reeks bezoekers aan haar bed verscheen.

De eerste die kwam was een arts. ‘Kate, je herkent me vast niet,’ zei hij. ‘Ik ben de arts die ja als eerste zag toen je in het ziekenhuis aankwam’.

Even later kwam er een zuster: ‘Kate, je weet vast niet meer wie ik ben. Ik ben de zuster die bij je was toen je naar de operatiezaal ging en onder narcose werd gebracht.’

‘Kate, je kent me niet,’ zei een andere bezoeker, ‘maar ik ben de geestelijk verzorger die dienst had toen je binnenkwam. Ik bracht enkele uren door met je ouders’. 

‘Kate,’ zei weer een ander, ‘je herkent me vast niet, maar ik ben de zuster die dienst had op de tweede en derde dag’.

Het was, zo herinnerde Erik zich, ‘een parade van lachende gezichten’. De laatste bezoeker was een zuster die Nancy heette. ‘Ik nam haar apart en zei: ‘Weet je, ik vind het geweldig dat jullie allemaal zijn gekomen om Kate het beste te wensen. Maar er is meer aan de hand, toch?’ ‘Ja’, zei Nancy, ‘dat klopt’. ‘Wat is er aan de hand?’ 

‘Erik’, zei ze, ‘van de tien kinderen die en dergelijke operatie ondergaan sterven er negen. Er is maar één Kate. We moesten haar echt zien, want zij is de reden waarom we elke dag weer terugkomen om hier te werken’. Dus dat is het, besefte Erik. ‘Dat is de zin’. 

Wij hebben allemaal ons unieke verhaal. Het leren vertellen van jouw verhaal helpt jou om gebeurtenissen uit jouw leven opnieuw met elkaar te verbinden, waardoor je nieuwe inzichten krijgt en lessen ziet die jou eerder waren ontgaan. Verhalen vertellen is fundamenteel voor de menselijke zoektocht naar betekenis, of het nu gaat om verhalen over de schepping van de aarde of over onze eigen levenskeuzes (Bateson).

Morgen deel ik om 12.00 uur live op Instagram één van mijn verhalen. Waarin ik je de verbinding laat zien tussen plezier en dankbaarheid vanuit de wetenschap en hoe je dit meer kunt toepassen in jouw leven. Ben jij erbij?