Steeds vaker wordt er een grote nadruk gelegd op het bemoedigen van mensen om hun volle potentie te benutten en hun beste versie te zijn. Hoewel dit leuk en spannend klinkt, kan het wanneer je er dieper in duikt ook moeilijk en ingewikkeld zijn. Want wat betekent dat eigenlijk, de beste versie van jezelf zijn? Hoge doelen stellen? Competent zijn? Een geweldige performance leveren? Aan verwachtingen voldoen? Super goed zijn in de dingen die je doet?

In al deze voorbeelden is ‘de beste versie zijn’ gemeten volgens een bepaalde referentie waarde. En dat is waar het gevaar ligt. Onze beste versie zijn betekent niet dat je hele hoge standaarden moet zetten voor jezelf of jezelf moet bekristeren iedere keer dat je niet voldoet aan het type persoon van wie jij vindt dat je hem of haar zou moeten zijn of van wie een ander vindt dat je zo zou moeten zijn. Noch gaat het over doen alsof we meer zijn dan we daadwerkelijk zijn. 

Ik geloof er in dat wanneer we de beste versie van onszelf zijn, dat dit zelfontdekking omvat, waarbij we een verhoogd bewustzijn van het zelf hebben dat ons laat beseffen dat we eigenlijk veel meer zijn dan we normaal denken te zijn. Maar door de ambiguïteit rondom de term ‘de beste versie van jezelf zijn’, kan dit verschillende dingen betekenen voor verschillende mensen, waardoor hier conflicten kunnen ontstaan. 

Volgens Tory Higgins (1987) hebben mensen verschillende persoonlijke standaarden en zelf-gidsen waar tegen zij zichzelf evalueren. De fundamentele purpose voor het hebben van zelf-gidsen is het controleren en richting geven aan iemands gedrag. 

Self-guides are a catalyst for change.

Ze hebben een belangrijke zelf-regulerende functie. Ze motiveren iemands acties, en helpen mensen daarbij om hun capaciteiten en vaardigheden te ontwikkelen en uit te breiden. 

Hoewel dergelijk zelfregulerend gedrag meestal gericht is op zelfverbetering, kunnen de discrepanties tussen wie we denken te zijn (de actuele zelf) en onze persoonlijk relevante zelfgidsen (de ideale zelf en de ought zelf) belangrijke gevolgen hebben voor ons emotioneel welzijn (Straumans & Higgins, 1988). 

The more we are self-focused, the greater the emotional impact is expected to be. 

Mensen evalueren zichzelf vaak tegen interne ‘ideale’ en ‘ought’ standaarden. De uitkomst van deze vergelijken werken als motivatie.

Vanuit het standpunt van het zelf is de ideale zelf een weergave van de attributen die we idealiter zouden willen bezitten. Het verwijst naar onze wensen, verwachtingen en ambities. De ideale zelf van een persoon kan bijvoorbeeld zijn dat je graag wat meer extravert zou willen zijn. 

Vanuit het standpunt van het zelf is de ought zelf een weergave van de attributen waarvan wij geloven dat we die zouden moeten zijn of moeten bezitten. Het verwijst naar onze plichten, verplichtingen en verantwoordelijkheden. Je zou bijvoorbeeld moeten weten dat je beter in staat moet zijn om je deadlines te halen. 

Hoe vind je de juiste balans tussen deze zelven?

De betekenis die we hechten aan elk van deze zelfgidsen kan belangrijke en vaak negatieve emotionele gevolgen hebben. Onderzoek van Higgins en collega’s suggereert dat de discrepantie tussen de actuele zelf en de ideale zelf van de persoon gevoelens van teleurstelling, verdriet en neerslachtigheid kan veroorzaken, terwijl de discrepantie tussen de actuele zelf en de ought zelf gevoelens van angst en agitatie kan veroorzaken. 

Het is natuurlijk somber om te denken dat we nooit onze ideale en of ought zelf kunnen bereiken, en daarom zijn we gedoemd om ons geagiteerd en depressief te voelen.. Maar, is dat nodig? Ik denk van niet. Het gevaar hier ligt namelijk in het vasthouden aan bovenmenselijke normen die bijna onmogelijk te bereiken zijn. Normen die we voor onszelf stellen waardoor we het onnodig moeilijk voor onszelf maken. Wat als dit anders kan?

In mijn gratis minicursus Match Your Selves leer ik je hoe dit anders kan. Ik help je om jouw zelf-gidsen met elkaar te matchen, wat garant staat voor een betere gezondheid, minder stress en meer geluk. Wil jij dit ook? Schrijf je dan direct hier in. 

Higgins, E. T. (1987). Self-discrepancy: a theory relating self and affect. Psychological Review, 94, 319–340.

Strauman, T. J., & Higgins, E. T. (1988). Self‐Discrepancies as Predictors of Vulnerability to Distinct Syndromes of Chronic Emotional Distress. Journal of Personality, 56(4), 685-707.